“Winnen of verliezen, wat is beter?”
Chinese wijsgeer Lao Tse
Hoe ik door vallen en opstaan een inspirerende jeugdcoach werd
De cursusleider van de KNVB legde vooral nadruk op dat laatste woord: “Voetbal is een spel van elf tegen elf, en het doel is winnen.” Alsof hij het vetgedrukt in ons geheugen wilde branden.
Aan mij, jeugdvoetbalcoach, hoefde hij het geen twee keer te zeggen. Zelfs tijdens een partijtje joggen moet ik winnen – van mijzelf. De mentaliteit van de “moeten-winnen-coach” had ik razendsnel overgebracht op mijn pupillen. Wee de ellendeling die niet zijn best deed! Bij een overwinning had ik mijn spelers het liefst doodgeknuffeld, en bij een nederlaag – ook.
Na een paar wedstrijden drong het tot me door dat ik verkeerd bezig was. Ik bezorgde mijn spelers meer stress dan plezier. Bovendien leerde ik ze niets anders dan… winnen. Ik was helemaal klaar met dat moeten-winnen.
Dus transformeerde ik mezelf tot een “gezelligheidscoach”. Het ging voortaan uitsluitend om plezier en gezelligheid. In theorie hadden we de bal thuis kunnen laten en nog steeds een topzaterdag gehad. Wanneer we per ongeluk wonnen, riep ik blijmoedig maar beheerst: “Oh, wat leuk!” Bij een nederlaag liet ik me even gaan: “Het was vandaag zó gezellig, jongens. Bedankt!”
Maar na een paar potjes besefte ik dat mijn pupillen hier ook niets aan hadden. Ik had de positieve spanning rondom winnen en verliezen volledig platgeslagen. De helft van het team had waarschijnlijk niet eens door dat ze op voetbal zaten. Het moest anders. Ik moest een gulden middenweg vinden tussen de “moeten-winnen-coach” en de “gezelligheidscoach”.
Ik werd een “gematigde coach”. Elke overwinning vierden we uitbundig, want vergis je niet – kinderen willen graag winnen. Willen winnen is goed; móéten winnen is fout. Maar ook de gematigde coach had een blinde vlek: smoesjes. Een nederlaag lag altijd aan de scheidsrechter of aan het missen van talloze kansen, zelfs als we op de helft van de tegenstander kwamen dankzij het wisselen van de helften.
Men zegt dat je beter kunt leren van andermans fouten. Maar zo werkt het leven niet. Tenminste, niet voor mij. Met vallen en opstaan heb ik ervaren dat winnen en verliezen veel meer zijn dan mogelijke uitslagen van een wedstrijd. Het zijn opvoedkundige kansen.
Veel belangrijker dan winnen of verliezen is dat kinderen leren goed te winnen en goed te verliezen. Hoe ze tot een uitslag komen en hoe ze ermee omgaan, is uiteindelijk veel belangrijker dan de uitslag zelf.
Winnaars van de toekomst
Ik win liever dan ik verlies, maar mijn humeur hangt zeker niet aan het scorebord. Winnen noch verliezen ervaar ik als goed of fout, maar als twee gelijkwaardige groeimomenten voor mijn jeugdige spelers.
Elke jeugdcoach weet het: samen trainen, samen plannen smeden en samen knokken voor de winst op zaterdag, dat is al genoeg voor een volledige cursus: voetballessen zijn levenslessen!
Hier een paar voorbeelden, zoals je ze alleen in een teamsport vindt:
• Het moment waarop een stille speler ineens het woord neemt en de vaste praters even met een mond vol tanden achterblijven.
• De wedstrijd waarin een kind met faalangst eindelijk de bal begint te ervaren als speelgoed en niet als valstrik.
• De wedstrijd waarin een kind zijn controle even verliest.
• Het moment waarop één traan de hele kleedkamer verenigt in solidariteit.
• Het moment waarop een kind besluit voor het team te spelen, en niet langer alleen voor eigen glorie.
• Er wordt geklaagd over het slechte spel, terwijl niemand eraan denkt eerst eens een duel te winnen.
• Het team verliest vaak, en de vingers vliegen in het rond — alsof schuld doorgeven ooit een doelpunt heeft opgeleverd.
• Bij een 6–0 voorsprong wil een speler even laten zien wat hij écht kan – met een leerzame afloop.
• De zogenaamde winnaarsmentaliteit uit zich in het uitschelden van de scheidsrechter — rode kaart inbegrepen.
• Een overwinning wordt gevierd alsof morgen niet bestaat, tot lichte irritatie van de tegenstander die wél nog plannen heeft.
• Na een nederlaag worden handen niet gegeven, want boos blijven is makkelijker.
• Een gewonnen wedstrijd voelt toch verloren voor de speler die speelde alsof zijn schoenen twee maten te klein waren.
• Een scheidsrechterlijke dwaling van vorig seizoen blijft een geliefd verhaal — zelfs voor toevallige medereizigers in de metro.
• Een gemiste kans in de slotminuut verlengt de extra speeltijd voor de “dader” tot een hele week.
• Na een fout krijgt een speler een overdreven uitbrander van een medespeler, alsof hijzelf nooit een overvliegende vogel heeft aangespeeld.
• Tijdens een kampioenswedstrijd scoor jij de winnende… eigen goal. De keeper doet daarna niet meer aardig tegen je.
• Een nederlaag tegen een onsportieve tegenstander wekt even de verleiding om de cornervlag te gebruiken als morele correctiestok. Enz.
Dergelijke momenten vormen kinderen. De 0–1 of 1–0 is minder belangrijk dan hoe zij ermee leren omgaan. Wat ze doen met teleurstelling en trots, met fouten en vreugde, met frustratie en verantwoordelijkheid…
Winst en verlies zijn twee kanten van dezelfde medaille – en die medaille heet groei.
Juist daarom is het zo belangrijk dat wij, jeugdcoaches, hen goed begeleiden. Want wie leert goed te winnen én goed te verliezen, groeit uit tot de winnaar van de toekomst.