Lieve aankomende jeugdcoach, we moeten even praten.
Ze hebben je verteld dat kinderen leren voetballen de mooiste hobby ter wereld is.
Vol enthousiasme bereid je je eerste training voor, maar al gauw sta je daar met je goede gedrag te kijken naar een balaanname die de gemiddelde lantaarnpaal nog soepeler zou uitvoeren. Tijdens je eerste wedstrijd doen je verdedigers midden in een aanval van de tegenstander spontane radslagen, alsof ze auditie doen voor het Nationale Turngala. Je stembanden trillen nog na van het schreeuwen, maar kennelijk hanteer je een frequentie die onhoorbaar is voor jeugdoren.
Je besluit: er moet harder getraind worden. En wat doet Samira? Nadat je drie keer hebt gesmeekt om de ballen met rust te laten tijdens de rekoefeningen, plant "goede oude" Samira een poeier loepzuiver tegen jouw achterhoofd. Eigen schuld, dikke bult: je hebt haar immers zélf geleerd hoe ze die bal moet raken. De hoofdpijn krijg je er gratis bij.
Maar het kan nog bonter. Doorweekt van de koude regen vraag je na de training wie er even helpt met de pionnen en het ballennet. Op dat moment ontdekken je spelers een snelheid die ze tijdens de wedstrijd nog nooit hebben laten zien. Ze stuiven weg als door een wesp gestoken. Ineens kunnen ze wél sprinten. Tel daar de TikTok-pubers bij op die hun telefoon belangrijker vinden dan hun positiespel, en de vader die je na de wedstrijd vertelt dat je zijn ‘pareltje’ niet mag, en je vraagt je af: wanneer wordt het eigenlijk leuk?
Het antwoord is simpel: zodra je je het verschijnsel voetbalhumor eigen maakt. Bedenk dat die poeier tegen je kop over een paar jaar het beste verhaal op de clubavond is. En die kleine opdonder die nu nog radslagen maakt? Die schiet ons over tien jaar misschien wel naar de titel — en viert dat doelpunt uiteraard met een perfecte radslag.
De muur die terugpraat
Als jeugdcoach heb je soms het gevoel dat je tegen een muur praat, maar als die muur terugpraat, is het resultaat vaak briljant. De logica van een kind is namelijk onnavolgbaar.
Neem Nienke uit de Onder-12. Een toptalent, maar gezegend met de achterdocht van een geheim agent. Op de simpele vraag hoe oud ze is, volgt geen getal, maar een vlijmscherpe wedervraag: "Waarom wil je dat weten?"
Of Beau, die haar eigen ethische code hanteert. Ze werd de hele wedstrijd geduwd. "Heb je dan niet teruggeduwd?" vroeg ik. Haar antwoord was even logisch als ontwapenend: "Nee, want mijn handen waren vies van de modder en dat meisje had een schoon wit shirt aan." Vergeet de Fair Play-cup; Beau verdient een lintje voor hoffelijkheid in de strijd.
En dan is er de collega-coach die voor de grap de Marokkaanse jongens ‘Kees’ noemde en de Nederlandse jongens ‘Mo’. Toen hij riep: "Ha Kees, hoe gaat het met jou?", antwoordde Mo droog: "Als ik Kees ben, dan ben jij een mafkees!"
Zelfs op de Eerste Hulp gaat het door. Judy, de keepster van de Onder-13, hoorde de dokter ernstig zeggen: "Het is niet best, je hebt drie gebroken vingers." Waarop Judy, met een glimlach die niet te onderscheiden was van een pijngrimas, antwoordde: "Maar die bal zat niet, hè!"
Meer dan een anekdote
Voetbalhumor is vaak meer dan een leuke grap; het is het scharnier waarop voetbalmomenten levenslessen worden. Het laat precies zien waar de schoen wringt:
• “Trainer, waarom ben ik gewisseld?” – "Omdat ik in mijn trainersvak meer meters maak dan jij in het veld!"
• “Trainer, ik snap het probleem niet. Ik sta gewoon te coachen en de rest is stil!” – " Nee, coachen is iets anders. Jij delegeert de ‘vuile meters’ zodat je zelf niet hoeft te rennen!"
• “Ben je weer je voetbalschoenen vergeten?! Ga je op je sokken voetballen?” – "Maar trainer, vorige keer hebt u ook andere schoenen voor mij geregeld!"
Het is prachtig om kinderen te leren schieten (behalve op je eigen achterhoofd), maar nog mooier is het om ze het juiste gedrag en de juiste mentaliteit bij te brengen. Maar weet waar je aan begint, collega-coach: levenslessen voor kinderen leiden onvermijdelijk tot de heropvoeding van de trainer zelf.
Door de beste hobby ter wereld is deze trainer een beter mens geworden.