En nu zoals het hoort:
Cora wist me het bloed onder de nagels vandaan te halen.
Iedereen hielp mee met het opbouwen van het trainingscircuit. Hoedjes, pionnen, doeltjes - teamwork. Behalve Cora. Die zat prinsheerlijk in de dug-out, verdiept in haar mobiel alsof ze net een spoedvergadering had met Taylor Swift.
Ik vroeg haar - vriendelijk, herhaaldelijk - of ze haar telefoon wilde wegleggen en mee wilde helpen. Geen reactie. Dus ik werd wat… minder vriendelijk.
Lees: chagrijnig. Kortaf. Streng met een randje stoom uit mijn oren.
Tot ze ineens opkeek en zei: “Ik wil niet dat je zo tegen me praat.”
Bam. Die kwam binnen.
Want dát is precies wat we haar geleerd hebben.
Dat niemand het recht heeft om haar onheus te bejegen. Niet op school, niet thuis, en ook niet op het voetbalveld. Zelfs niet als ze het - tussen aanhalingstekens - ‘verdiend’ heeft.
Dus ik slikte even, haalde adem en zei:
“Je hebt gelijk. Laat niemand zo tegen je praten. Het is goed dat je voor jezelf opkomt. Klasse! (Korte pauze gevolgd met een glimlach) De vraag blijft natuurlijk wel: wil je meehelpen met het sjouwen van die doeltjes?”
“Ja.”
De rest van de training verliep vlekkeloos. En ik? Ik kreeg een gratis lesje pedagogiek van een 14-jarige. Soms zijn de beste coaches gewoon je spelers.